Retour afzender

Als het over adoptie gaat hanteer ik altijd de botte bijl. Toegegeven, ik ben niet echt onder de indruk van terug-naar-mijn-roots-verhalen. Dat is wat ik mezelf jarenlang heb wijsgemaakt. Iets met dingen heel hard roepen totdat je er zelf in gaat geloven.

Als kleuter was ik namelijk wél gefascineerd door mijn afkomst. Uit het oude dagboek van mijn moeder blijkt dat Korea één van mijn favoriete gespreksonderwerpen was. Op 6 april 1981 schreef ze: ‘Anouk laat zien dat ze ook op 1 poot kan lopen, net als een ooievaar. Die ene poot intrigeert haar. Ze vraag er van alles over. Ook of hij op 1 poot staat als hij kindjes heeft. Dan zegt ze ineens: “Kindjes in Korea willen naar hun papa en mama toe. Uh (huilachtig), mijn papa en mama zijn dood. Uh, ik wil naar mijn papa en mama toe.” Geen idee wat hier de directe aanleiding voor was. Waarschijnlijk krijgt ze heel wat te horen. Ze is ook bezig met haar afkomst. Ze is het er niet mee eens dat ze niet uit mijn buik komt. Het is ook vreemd, naar mijn gevoel komt ze wel uit mijn buik. Hoewel ik toch beter zou moeten weten.’

Kleine Anouk kopie

Mensen in mijn omgeving weten dat ik blokkeer wanneer ze het onderwerp adoptie aansnijden. Doen ze dat toch dan krijgen ze een venijnige blik toegeworpen. Ze kijken dus wel uit. Mijn goede vriendin Susan trekt zich hier weinig van aan. Ze is fan van mijn killer heels, maar wars van mijn dodende blik. Een paar weken geleden mailde ze me een link van een artikel uit de New York Times. ‘Als je je verveelt…dit kwam ik tegen’, schrijft ze. ‘Als ik Korea zie staan, denk ik aan jou.’ Potverdorie, mompel ik als ik de URL open en zie dat het een lang verhaal is van 17 kantjes.

Het artikel gaat over een generatie geadopteerde mensen uit Zuid-Korea die niet kunnen aarden in hun ‘nieuwe’ land. Het merendeel van deze twintigers en dertigers komt uit de VS. Ze emigreren terug naar Seoul in de hoop daar wel een connectie te vinden. Met de Koreaanse cultuur, met hun biologische familie en met andere geadopteerde lotgenoten. Korea is hun echte thuis. Als je in hun hart kon kijken zie je pijn. De pijn van er niet toe doen, van niet goed genoeg zijn, van verstoten zijn. Ze verlangen naar hun ‘echte’ moeder en voelen een soort van loyaliteit jegens haar. Dat snap ik. Ook ik voel soms een onbekend en onontdekt verdriet. Mijn biologische moeder heeft me tenslotte 37 jaar geleden in de steek gelaten. Als ik toen kon praten, zou ik vast schreeuwen: ‘Blijf bij me! Laat me niet in de steek.’ Natuurlijk doet dat iets met je, maar mijn hart breekt echt niet met een droge knak.

Den Haag juli 2013Na het lezen van het artikel was ik met stomheid geslagen. Waarom wil je in hemelsnaam terug emigreren naar Zuid-Korea? Ik voel geen drang om een vreemd alfabet te bestuderen, taekwondo te leren of Koreaanse karaoke te zingen. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om een ticket te kopen. Voor mij geen retour afzender. Natuurlijk realiseer ik me dat mijn Koreaanse broeders en zusters het hele adoptiegebeuren anders ervaren en behoefte hebben aan nazorg. Ik probeer me oprecht in hen te verplaatsen. Een ultieme poging om mezelf open te stellen voor andere ideeën.

Maar toch. Stel je voor dat ik me wel zou interesseren voor mijn adoptie en de hele mikmak. Dan moet ik toch hoognodig het volgende afvragen. Los je dingen op door een enkele reis naar Korea te boeken? Wil je iets tastbaars dat je in een doosje kunt stoppen en af en toe tevoorschijn haalt wanneer je het moeilijk hebt. Dat is toch volstrekt zinloos. Moet ik verlamd van angst en narigheid zijn omdat de vrouw die me heeft gebaard mijn leven uitliep en ik niks kon doen? Je kunt niet eeuwig op zoek gaan naar antwoorden die er niet zijn. Wat heb je eraan? Niets. Kop op en wees niet langer dat zielige weesje met verlatingsangst.

Soms moeten dingen zo zijn. Het is zoals het is, en daar ben ik blij mee. Ik wil het leven van nu vieren. Mijn moeder de oren van haar kop af kletsen of samen met mijn vader onze lievelingsserie House of Cards analyseren. Vroeger droomde ik dat ik stiekem een prinsesje was en ooit werd opgehaald door mijn moeder, de koningin. Als ik mijn ouders nu zie denk ik: fijn dat ze er nog zijn. Ik heb zin om van de week boerenkool bij ze te gaan eten.

Zielig

Er is in mijn leven altijd de vraag die nooit wordt uitgesproken, maar die onder-de-radar toch blijft hangen: is het niet zielig dat je bent geadopteerd? En of ik me hier wel thuis voel, krijg ik er als bonusvraag vaak bij.

Met dit soort prangende vragen hield ik me nooit bezig. Tot vorige maand. Ik krijg een mailtje van oud-collega Ingrid. We hebben in een ver verleden samen op het secretariaat van een farmaceut gewerkt. Allebei beoefenen we nu een andere tak van sport: ik in de journalistiek, zij in de wereld van interieur & design. In haar vrije tijd is ze vrijwilliger bij de Beschermde Wieg. Deze stichting zet zich in voor de opening van babyhuizen en vondelingenkamers. In een speciale ruimte staat een wiegje waar wanhopige moeders die geen andere uitweg meer zien, anoniem hun baby kunnen achterlaten. Jawel, u leest het goed. Ook in ons land wonen vrouwen die hun kind noodgedwongen in alle eenzaamheid en onder slechte omstandigheden ter wereld brengen.

Vroeger Zandvoort met grote pantoffelsEnfin, Ingrid overrompelt me met de directheid van haar mailtje. Om met de deur in huis te vallen: wat vind ik van dit initiatief? Eronder staat een linkje van een YouTube filmpje waarin bekende Nederlanders vertellen waar de stichting voor staat. Daar word ik wel even stil van. Het onderwerp kruipt steeds dieper onder mijn huid. Een baby in een vuilnisbak breekt elk mensenhart in duizend stukken. Ook die van mij. Het gebeurt niet snel dat iets me zo bij de keel grijpt. Een soort babyluikje, wat moet ik daar nou van vinden?

Zelf ben ik 37 jaar geleden in Zuid-Korea te vondeling gelegd. Op de stoep van het politiebureau. Zie het als het babyluikje van de jaren ‘70. In die tijd waren er veel ongehuwde moeders die hun baby afstonden. Volgens een artikel in de New York Times deden ze dit vaak niet uit vrije wil, maar onder druk van hun familie. Soms bracht een oma of tante de baby naar het kindertehuis of naar een, vaak illegaal, adoptiebureau. Er ging veel geld om in deze wereld vol geheimen. De jonge Koreaanse vrouwen lieten het allemaal met een stalen gezicht gebeuren. Er is nu eenmaal geen ruimte voor gevoel als je je kind afstaat. Ik denk oprecht dat informatie en veilige plekken de kans op dumpen van een baby verkleinen. Natuurlijk kun je niet iedereen helpen, maar wat de Beschermde Wieg doet is een nobel begin. Er zullen altijd moeders zijn die hun pasgeboren kind te vondeling leggen of zomaar ergens achterlaten. Mijn omma wist dat ze niet voor me kon zorgen en bracht me naar een veilige plek. Wat zij heeft gedaan, zie ik als een daad van liefde, moed en zorg.

De afgelopen weken spookte die ene gevreesde zin weer door mijn hoofd: ben ik zielig? Na het contact met Ingrid, is mijn hoofd als een gek gaan malen. Er is voor beide kanten iets te zeggen. Na lang wikken en wegen kom ik tot het volgende ‘poldermodel’:

Anouk op redactieJPGNee < Hier in Nederland ben ik uitgegroeid tot een nieuwsgierige journalist met de liefste ouders en een leuk leven. Als ik in Zuid-Korea was gebleven, had ik bijvoorbeeld nooit kennis gemaakt met het Nederlands. Niet Nederland, maar de Nederlandse taal bleek mijn land te zijn. Het is mijn taal. Het is zo mooi dat je iets hebt waarmee je jezelf kenbaar kunt maken. Waarin je al zoekende naar het juiste woord, kunt overbrengen wie je bent, wat je voelt, waarnaar je verlangt, wat je mist. Ik besefte pas vorig jaar dat ik toch iets heftigs had meegemaakt. Ik ben toen woorden gaan opschrijven, die woorden werden Facebookberichten: vervolgens schreef ik voor mijn blog en ging ik echt over mijn leven vertellen. De behoefte om te schrijven werd groter dan ikzelf. Ik moest woorden vinden, anders zou ik verdrinken. Ik ben niet vernederlandst, ik ben Nederlands.

Vroeger met mamaJa < Ik heb verlatingsangst. In het kwadraat. Typisch iets voor geadopteerde kinderen. Hoewel ik pas zeven maanden was toen ik naar Nederland kwam, nam ik toch een rugzakje bagage mee. Ach, baby’s en kleuters, die hebben geen idee zeggen ze, die weten nog niet wat afscheid is. Ik wel. Loslaten is niet echt mijn ding. Ik vond het als ukkepuk al niet fijn wanneer mijn moeder wegging. Naar de keuken, naar de supermarkt, naar de wc. Niet realiserend dat dit maar eventjes was, liep ik haar als een puppy achterna. Ook durfde ik lange tijd geen innige relaties of vriendschappen aan te gaan, want dat kon zomaar voorbij zijn. Mensen zag ik als passanten, niet als blijvertjes. Dus ja, ik ben bang om in de steek te worden gelaten. Dat is soms wel even slikken, maar dat hoort erbij. Ook de mensen die je voortdurend om je heen wilt hebben, zijn er soms een poosje niet. Geen wonden op mijn huid, wel littekens op mijn ziel. Je voelt het aan de knuffel die ik je zal geven.

Naar een eenduidig antwoord gis ik nog steeds. Eigenlijk wil ik het ook niet weten. Het is zoals het is. Dat bedenk ik me terwijl ik in de trein naar buiten staar. Every little thing is gonna be alright, zingt Bob Marley door mijn koptelefoon. Het KNMI waarschuwt die dag voor gevaarlijk en onstuimig weer in het hele land. Ik maak me geen zorgen. Sterke bomen buigen niet, die blijven bij weer en wind staan.

Perfecte jurk

‘Mevrouw Bakker?’, klinkt het opeens. Het is dinsdagochtend en het regent buiten. Ik ben op het gemeentehuis om een nieuw paspoort aan te vragen. Terwijl de schelle vrouwenstem door de wachtruimte tettert, sta ik op en loop naar balie 1. De dame aan de andere kant van het bureau kijkt verbaasd op. ‘Eh, mevrouw Bakker?’ Ik rol met mijn ogen. ‘Goedemorgen, Anouk Bakker’, zeg ik en steek mijn hand uit. ‘Maar u bent….’, stamelt ze. ‘Is Bakker uw getrouwde naam?’, probeert ze nog. Ik was net 18.

Vroeger met kinderwagenZo gaat het al 37 jaar. Iedereen herkent mij, alleen niet in combinatie met mijn naam. Anouk vind ik stom, simpel en te gewoontjes. Als kind droomde ik van een andere voornaam. Eentje die mooier was, meer mij. Misschien Serena, Julia of Madonna? De drempel lag niet hoog. Toen ik wat ouder was, hoopte ik gewoon een geschikte achternaam te trouwen. Sergi Bruguera, Paolo Maldini, Leonardo DiCaprio. De shortlist bleek een tikkeltje ambitieus.

Uiteindelijk koos ik niet voor een verstandshuwelijk met een man plus mooie familienaam, maar voor een alter ego. Toen ik vorig jaar begon met mijn blog, besloot ik een andere naam te gebruiken. De keuze was verrassend snel gemaakt. Ik noemde mezelf The Running Ninja. Het is een verwijzing naar de twee onderwerpen waar ik over wilde gaan schrijven: hardlopen en adoptie. Ik vond het catchy, origineel en bovenal herkenbaar. Eindelijk een naam die bij me past. The Running Ninja blijft goed hangen in mijn omgeving. Loopmaatjes herkennen me niet meer alleen aan mijn loopje en roze outfits, maar scanderen tijdens wedstrijden vrolijk mijn hardloopnaam. Op mijn werk weten ze mijn echte naam niet meer. Zelfs mijn moeder noemde me onlangs liefkozend ninja.

Anouk SiennaToch ben ik achteraf blij dat ik mijn originele naam niet heb veranderd. Mijn naam voelt zo eigen dat ik het zelfs raar vind als ik een andere Anouk tegenkom. Alsof je jezelf roept. Een vreemde die jouw naam heeft gepikt. Anouk Bakker is een jurk die bij me past. Mijn Koreaanse naam Hye-Jin staat symbool voor die mooie riem bij de jurk waarmee je graag pronkt. The Running Ninja maakt de outfit af. Niet iedereen vindt het trouwens een mooie jurk. ‘Anouk Bakker, dat is toch een aparte naam voor jou?’, zei de gemene vrouw achter de gemeentebalie destijds tegen me. Op een snedig antwoord zit ik nog te broeden.

Met open armen

Waar praten mensen het liefste over? Juist ja, zichzelf. Dat doe ik ook. Alleen praat ik niet over mijn adoptie. Als mensen ernaar vragen, valt het gesprek dood. Dan voel ik me de levende versie een NS-stiltecoupé. Dag mevrouw spraakwater! De journalist die dagelijks met onbekenden spreekt, klapt dan dicht. Ik probeer het gesprek te kantelen naar een ander onderwerp. Minder diepgang, minder emotie, politiek desnoods.

Statiefoto ons gezinZo vroeg een collega onlangs of ik dat nieuwe tv-programma ‘Met open armen’ weleens had gezien. Nee, dus met frisse tegenzin heb ik het vorige week gekeken. Bleh, met Natasja Froger. Die overdreven vriendelijke presentatrice die zo van drama houdt, laten we daar niet om heen draaien. Natas volgt de zoektocht van stellen die jarenlang op een wachtlijst staan om een kindje te adopteren. De aankomende papa’s en mama’s vertellen oprecht, lief en welja soms ook ontroerend over hoop, verlangen en angst. Mevrouw Froger zoekt vooral naar het bijzondere verhaal van deze mensen en drukt ze nog net geen doosje met tissues onder hun Hollandse neus.
Het moment suprême is natuurlijk wanneer de blije ouders het kindje in hun armen sluiten. Het kersverse gezin gaat helemaal op in het nieuwe geluk. Voor even bestaat de buitenwereld niet. Daar werkt de regisseur vakkundig naar toe. Lekker inzoomen op dat schattige peuterhoofdje en focussen op twee volwassen mensen die daar wel een beetje emotioneel van worden.

Dit soort sentimentele tv is duidelijk niet mijn kopje thee. De gesuikerde laag om het programma heen vind ik niet nodig. Voor mij doet een traantje-weg-pinkende-Natasja Froger niets. Adoptie is geen tearjerker. Als volwassen geadopteerde vrouw wil ik er vooral lucht in brengen, humor en ook lol. Reflectie jazeker, daar heb ik dan wel weer wat mee. Begrijpt u me niet verkeerd. Het is best bijzonder voor adoptieouders om hun kindje voor het eerst met open armen te ontvangen. Maar geldt dat niet voor alle ouders? Vergelijk dat ophaalmoment met een natuurlijke bevalling. Je adoptiekindje vasthouden voelt als een geboorte. Het enige verschil is dat dit kindje uit een vliegtuig komt en niet uit een buik.

Kleine Anouk met balVoor mijn moeder voelde het ook bijzonder. Ze heeft mijn allereerste dag in Nederland beschreven in haar dagboek. Laten we bij het begin beginnen en terugspoelen naar 12 mei 1978. Met haar toestemming deel ik een passage uit haar memoires: Anouk, het is moeilijk alles op een rijtje te zetten. We waren zo vol van je. Het meest logische lijkt me, met de eerste dag te beginnen. We gingen vroeg naar bed, maar konden geen oog dicht doen. Het was ook zo moeilijk, jij daar ergens hoog in de lucht op weg naar ons, en wij wachtend op het moment dat we op konden staan om naar je toe te gaan. Weer moet ik huilen bij de herinnering. Toen je op Schiphol aankwam, had je er een reis van ongeveer 30 uur opzitten. Wij stonden ’s nachts om 4 uur op, bang als wij waren om te laat te komen. Op Schiphol moesten we samen met de andere ouders, broertjes en zusjes nog een tijd wachten. In de perskamer was het tjokvol. Toch werd er weinig gepraat. Iedereen was zenuwachtig en erg geëmotioneerd. Ineens was er babygehuil en kwam het eerste broertje en zusje, daarna kwamen twee zusjes en toen kwam jij. Je lag heel stil in mijn armen, maar bij het zien van anderen begon je te huilen. Gauw zijn we naar een rustiger plekje gegaan. Het bleek dat je dorst had. Papa, Lars en Sven zijn snel je fles gaan warmen. Ik bleef wat op en neer met je lopen. Dat vond je fijn. Zodra je je buik vol had, kregen wij je eerste lachje te zien. We hebben tijden met je zitten keutelen, zijn daarna op zoek gegaan naar de fotograaf en hebben je tenslotte verschoond. Als één der laatsten vertrokken we. Toen we in de parkeergarage uit de lift stapten, stonden daar opa en oma te wachten. Het werden drukke dagen. Het huis was vol bloemen, er kwamen felicitatiekaartjes en je werd overstelpt met cadeaus. Je was vriendelijk tegen iedereen. Je lachte lief.

Vroeger golfen met mamaNog steeds krijg ik kippenvel als ik dit lees. Haar dagboek zit heel, heel dicht tegen mijn ziel aan. Geen moeilijkdoenerij of krokodillentranen, maar oprechte emotie. Dat is de truc: je kunt een beetje van jezelf laten zien zonder alles bloot te geven. Hoewel ik geen fan ben van ‘Met open armen’ keur ik het programma zeker niet af. Ik denk dat het goed is om een kijkje in de keuken te geven van het adoptieproces, maar laat het kind buiten de camera. Vind je het niks? Zap! Het is gewoon een kwestie van smaak. Iedereen gaat op zijn eigen manier om met adoptie. Ik ben The Running Ninja begonnen om mijn emotie uit te drukken. Om het ijs te breken. Misschien als u mij de volgende keer aanspreekt over het geadopteerd zijn, verras ik u met mijn reactie. Ik zal niet dichtklappen. Dat beloof ik. Zolang we maar niet hoeven te praten over Natasja Froger.

Made in Korea

Weten waar je vandaan komt, is de manier om je identiteit te behouden. Ik ben Anouk Bakker, 37 jaar en een vondeling. Als baby van drie maanden ben ik afgestaan door mijn biologische moeder. Dat stond in mijn adoptiepapieren. Ik werd gevonden op de stoep voor het politiebureau in Seoel. Keurig verpakt in een schoon setje kleren en een polsbandje met daarop mijn naam en geboortedatum. Ik heette Hye-Jin Kwon en was geboren op 14 oktober 1977 in de Koreaanse hoofdstad. Mevrouw Kwon kon opgelucht adem halen: ik was veilig, ik werd gevonden. Ze wist dat ik naar het kindertehuis zou worden gebracht.

Vroeger aan zeeIk was zeven maanden toen ik werd geadopteerd en heb altijd geweten dat ik een vondeling ben. Boosheid naar mijn geboortemoeder heb ik niet. Hoe kun je nu slecht praten over ouders die je nooit hebt gekend? Ze heeft het gedaan met de intentie dat ik gevonden werd, dat het goed zou komen met me. Daar ben ik van overtuigd. Het is heus niet zo dat een moeder haar kind achterlaat en nooit meer aan dat kind denkt. Die gedachte heb ik op de kleuterschool al weggebonjourd naar het land der fabelen.

Met het feit dat ik een vondeling ben, heb ik nooit problemen gehad. Ik vond het ook nooit moeilijk om erover te praten. Het is gewoon zo gebeurd en het is misschien wel mijn redding geweest. Die gedachte flitste ook door mijn hoofd toen ik vorige week het nieuwsbericht las over de twintig dagen oude baby die in Amsterdam werd gevonden in een vuilniscontainer. Een ondergrondse vuilniscontainer nota bene. Er moest iets verschrikkelijks aan de hand zijn geweest, dit kon niet zomaar gebeuren. Je kind te vondeling leggen doe je niet zomaar. Dat is een niet te bevatten noodsituatie.

Gelukkig voor mij, heeft mijn biologische moeder dat toch gedaan. Want hoe had mijn leven eruit gezien als ik niet was geadopteerd? Daar wil ik nog niet eens over nadenken. Waarschijnlijk krijg ik dan een blik in een andere wereld. Brr, het idee alleen al. Ik hou van Holland. Er is geen plek op aarde waar ik liever zou zijn opgegroeid. Ik heb u lief heerlijk landje. Toen ik hier als baby arriveerde, stond er een onzichtbaar bordje: welkom!

Nederland ontving me met open armen en ik integreerde snel. Ik voelde me in no time thuis. Alleen mijn spleetogen herinnerden me nog aan Korea. Daarvoor moest ik een reality check doen in de spiegel. Begrijp me niet verkeerd, ik ben trots op mijn Koreaanse roots, maar diep in mijn hart ben ik toch meer een Kaaskop.

Kleine Anouk op schaatsenMaar hoe je het ook wendt of keert, adoptie is een verlengstuk van mijn persoonlijkheid. Het is dus maar goed dat er genoeg vrouwen op aarde zijn die kiezen voor een kind uit een vliegtuig en niet voor een kind uit hun buik. Dat is niet egoïstisch, maar realistisch. Waarom moet je per se zelf zwanger worden om je moeder te kunnen voelen? Ik vind het juist onbaatzuchtig om een weesje uit een minder bedeeld land een eerlijke kans te geven in het leven.

Ik heb dus geen zielig verhaal te vertellen. Als dreumes koketteerde ik overigens wel dagelijks dat kindjes uit Korea zielig waren. Maar daar sprak de drama Queen in mij, niet de waarheid. Adoptiekinderen zijn niet sneu, evenmin als weesjes die te vondeling zijn gelegd. Uit iets triest, ontstaat soms ook iets moois. Het is namelijk niet altijd een kwestie van geluk waar je wieg staat, maar vooral wie je uiteindelijk onder hun vleugels nemen. Als kinderen hun ouders konden kiezen, koos ik voor mijn vader en moeder. Zoals ze in Brabant zeggen: Niks mis mi.

Zoete olijven

Vroeger was ik een mini ninja die kleine avonturen beleefde. Onovertroffen waren crossen op mijn BMX-fietsje, het eten van bittere olijven en keten met Thijs. Hij was mijn buurjongetje slash allerbeste maatje. Saampjes vormden we een opvallend duo: hij een Hollands jongetje met blond haar en ik een ‘Chineesje’ die over hem baasde. Ja, we waren net de kinderen uit de tv-reclame van Duo Penotti (‘Twee kleuren in een pottie’). Ik wilde met niemand anders omgaan. Toen een ander jongetje uit de straat op een middag bij mij kwam spelen, was ik beledigd dat Thijs niet kwam opdagen. Het eerste uur heb ik die arme stakker het leven behoorlijk zuur gemaakt. De kreten ‘stomme trut’ en ‘Zal ik je eens in elkaar slaan’ waren favoriet.

Vroeger met ThijsThijs en ik waren Best Friends Forever. Ik viel hem dus ook lastig met mijn achtergrondverhaal. Zoals op 24 maart 1981. Twee kleuters zitten op de bank. Omdat ik de baas ben, gaat het gesprek in één richting:

‘Kom Thijs, mag je naar het boekje over Korea kijken’, roep ik.

‘Alle baby’s, ja.’

‘Kijk daar zijn de schoenen van de kinderen.’

‘Kijk alle baby’s.’

‘Dat, zie je dat. Leuk hè?’

‘Zo uit.’

‘Ik doe het niet meer mama.’

‘Ik doe het niet meer hoor Thijs.’

‘Want ik ben zo moe van het kijken.’

‘We gaan lekker met de Playmobil spelen.’

Op mijn derde nam ik dus al een stoere pose aan als het over mijn adoptie ging: afstandelijk, kort en bondig. Ik voelde geen diepe connectie met mijn geboorteland. Wanneer je aan me vroeg of ik ooit terug wilde naar Zuid-Korea zei ik steevast: ‘Sommige kinderen willen dat graag, maar voor mij hoeft dat niet zo.’ Mensen keken me dan met een niet-begrijpende blik aan. Misschien stelden ze zich wel gerust met de gedachte dat ik er ooit anders over ging denken. Er zijn geadopteerde kinderen die het onwijs machtig vinden om hun moedertaal te leren spreken, de meest exotische gerechten te kunnen bereiden en te sparen voor een reis naar het geboortedorp. Of ook leuk: familieleden opsporen. Het zal!

Anouk in De PontPrima voor de liefhebbers. Voor mij? Nee, dank je wel. Het onderwerp schuurt, maakt ongemakkelijk en geeft mij ook een schuldgevoel. Ik probeer al heel mijn leven dit soort gesprekjes op afstand te houden. Niet wéér dat verhaal. Of ik me daar soms lullig over heb gevoeld? Jazeker. Er was zowaar sprake van schaamte. Tot voor kort dacht ik dat het verre van acceptabel was om nul komma nul interesse te hebben voor mijn afkomst.

Maar mijn verhaal moet wel verteld worden. Daarom ben ik een half jaar geleden begonnen met bloggen. Het is voor mij schrijftherapie. Ik tik niet om onverwerkt verdriet te verwerken, maar omdat ik graag vertel. Mijn doel is niet per se de beste schrijver aller tijden worden, maar wel een blog opbouwen waar ik trots op kan zijn. De start is veelbelovend. Ik heb toffe reacties gekregen, en een paar daarvan zijn speciaal. Van geadopteerde kinderen, adoptieouders en familieleden die vertellen dat ze zich in mijn gedachtenspinsels herkennen. Toegegeven: dat raakt me.

Anouk at workDoor het schrijven over adoptie ben ik niet van mijn ‘geloof’ gevallen. Ik pieker er nog niet over om terug naar Zuid-Korea te gaan. Maar tja, wie weet. Het is net als met een goede whisky. Die moet je op zijn waarde schatten en leren drinken. Een proces dat jaren kan duren. Misschien boek ik over vijf jaar in een recalcitrante bui alsnog een retourtje Amsterdam-Seoul. Op de dag dat ik de royalty’s ontvang van mijn eerste boek. Als de olijven op een dag zoet smaken, is alles mogelijk.

Wereldkind

Als adoptiekind bof je maar. Je krijgt niet alleen een extra paar ouders cadeau, maar ook een bonusverhaal over je afkomst. Bijna elk kind herinnert zich nog de dag dat hun ouders de ‘waarheid’ vertellen. Het-waar-kom-ik-vandaan-verhaal en jij-bent-geadopteerd-uitleg. Zodat je antwoord kunt geven als mensen vragen: ‘weet je het al?’

Tja, ik weet het al bijna mijn hele leven. Gelukkig hebben mijn ouders er nooit een geheim van gemaakt dat ik ben geadopteerd. Ze waren altijd heel open en geen enkele vraag was taboe. Alleen stelde ik er nooit eentje, niet echt. Daar had ik nooit behoefte aan. Tot gisteravond. Ik sprak mijn moeder aan de telefoon en vuurde de ene vraag na de andere op haar af. Mijn moeder vertelde toen dat ze in haar dagboek een aantal bijzondere anekdotes uit die begintijd had genoteerd. We waren net verhuisd van de Randstad naar Brabant. Ik was een praatgrage peuter met bolle wangen en een natuurlijke drang om de baas te spelen over de kinderen uit de straat.

IMG_2985Op 6 april 1981 schreef ze: We waren op verjaardagsvisite bij buurmeisje Rianne. Een nichtje van haar kwam binnen en stelde op zeer directe wijze een aantal vragen. Nichtje: Waar komt zij vandaan? Ik antwoordde: Van de overkant, daar wonen wij. Daar nam het nichtje geen genoegen mee en vroeg: Nee, waar komt ze vandaan? Ze ziet er anders uit dan jij. Ik antwoordde: Uit Korea. Het nichtje was nog steeds niet tevreden en zei: Waarom is zij niet in Korea gebleven? Op dat moment vond Anouk het welletjes en sprak: Nou, omdat ik naar mijn papa en mama toe wilde. Hier had het nichtje geen weerwoord op.

Zou ik toen echt hebben beseft dat ik was geadopteerd? Vast niet. Het is net als tafeltjes uit je hoofd leren. Je kent de getallenreeksen, maar het echt snappen doe je niet. Het hebben van twee moeders vond ik vooral erg cool. En handig voor als het mij uitkwam. Zoals die keer dat ik weer eens door mijn grote broers werd gepest. Twee lange blonde jongens versus een ukkepuk van nog geen drie. We waren op de terugweg van een vakantie in Zwitserland. Ik was het beu en riep: ‘Ik heb twee mama’s en jullie lekker maar eentje!’ Voor het eerst in mijn leven kreeg ik ze stil.

Zelf raak ik nog steeds sprakeloos van de persoonlijke vragen die wildvreemde mensen soms stellen. Ook mijn ouders waren in mijn jeugd regelmatig het ‘lijdend voorwerp’. FAQ’s waren: Kunnen jullie geen kinderen krijgen? En: Voelt het wel eigen? Of: Zijn jullie niet bang dat het niet klikt? Dit noem ik geen gezonde nieuwsgierigheid meer. Het is op het brutale af. Andere ouders wordt toch ook niks gevraagd? Op geen enkel kind, geadopteerd of biologisch eigen, staat een niet-goed-geld-terug garantie.

Kleine Anouk 10Voor als u het wilt weten. Mijn ouders konden kinderen krijgen en zaten in de luxe positie dat ze nog een baby konden adopteren, mij dus. Dat deden ze uit de overtuiging dat alle kinderen het recht hebben op een thuis. Het was midden jaren ’70 toen ze op tv beelden zagen van kinderen uit Bangladesh die omkwamen van de honger. Mijn moeder zat met tranen in haar ogen voor de buis gekluisterd. Ze zei tegen mijn vader: ‘Die kinderen hebben ook een warm bed, eten en een huis nodig. Maar je kunt ze toch moeilijk uit hun land weghalen, ver weg van hun ouders?’ Van buitenlandse adoptie hadden mijn vader en moeder toen nog nooit gehoord.

Een paar weken later waren ze op bezoek bij hun oude buren. Daar hoorden ze voor het eerst dat je kinderen uit verre landen kon adopteren. Een echtpaar van een paar huizen verderop had een kindje uit Colombia geadopteerd. Toen mijn ouders thuis kwamen, haastte mijn vader zich naar boven en belde hij deze bijzondere mensen op om meer te horen over adoptie. Zo kwamen ze in contact met Stichting Wereldkinderen en meldden ze zich aan voor adoptie. Na drie jaar van intakegesprekken, informatieavonden, bezoeken van de kinderbescherming en veel geduld kregen ze hun derde kindje. Een dochter van zeven maanden.

Zelf heb ik geen broedgevoelens. Toch weet ik dat kinderen krijgen iets moois is. Het is een geschenk waar elke aspirant-ouder van droomt. Of je ze nu zelf baart of adopteert, het is jouw kind. Bonus: Als adoptiekind ben je zonder twijfel gewenst. Geen garantie nodig, wist u dat al?

 

Kaaskop

Er heerst Oranjekoorts in ons land: hevig en hardnekkig. Ook in mijn vinexwijk wordt massaal gejuicht. Sommige buurtgenoten doen dat in een Roy Donders juichpak, maar het ouderwetse oranje shirt blijft ook on trend. Mijn neefje en nichtjes vinden het WK-voetbal waanzinnig interessant. Ze stuiteren het liefst als juichhamsters door de woonkamer. Ja, we houden allemaal van Oranje.

Berlijn - westrijd NL vs Australie op ambassadeAfgelopen zondag was ik op bezoek bij mijn broer. Nederland moest die avond tegen Mexico spelen voor een plek in de kwartfinale. Toen ik binnenkwam stormde mijn neefje (7) op me af, met in zijn kielzog een blond jongetje van zijn leeftijd. Het zoontje van de vriendin van papa, wist hij me te vertellen. Twee nieuwsgierige ogen keken me aan. ‘Dit is de zus van Sven’, vertelt zijn moeder die zich inmiddels bij ons heeft gevoegd. Het jongetje kijkt me verward aan. ‘Anouk is geadopteerd, net zoals ons overbuurmeisje. Zij komt uit China.’ Het jongetje knikt. Ondertussen recht mijn neefje zijn rug en legt zijn armpjes in zijn zij. ‘Jij komt ook uit China, mijn juf ook’, zegt hij stellig. ‘Nee, ik ben geboren in Korea’, antwoord ik. Hij schudt zijn hoofd. ‘Dat land ligt vlakbij China’, probeer ik. ‘Vooruit dan maar’, roept mijn neefje en rent snel weg om met zijn vriendje te gaan voetballen.

Het klinkt misschien ook niet overtuigend, bedenkt ik me later. Ik sta op dit moment volop in het leven, maar met een stigma. Als 36-jarige ongetrouwde vrouw met een andere huidskleur val ik op. Ik voel me nog altijd Het Bijzondere Kind van vroeger. Overal waar ik kom willen mensen weten waar ik vandaan kom. Ik antwoord op de automatische piloot dat ik in Korea ben geboren. Noord of Zuid, vraagt een enkeling nog weleens verder.

Tijdens mijn werkstage in Berlijn raakte ik op een dag in gesprek met iemand die een tijdje in mijn geboorteland heeft gewoond. De beste man vertelde enthousiast dat hij een paar woordjes Koreaans sprak. En Seoul vond hij een echte wereldstad. Ik voel me best gevleid dat wildvreemde mensen interesse tonen in mijn afkomst. Ze tonen tenslotte hiermee interesse in mij. Toch kost het me steeds meer moeite om oprecht een leuk gesprek te beginnen over mijn roots.

BLog wees gelukkig 15Home is where the heart is. Of nog meer micro: je eigen leefcommunie in een stad, een Kietz noemen ze dat in Berlijn. Ik ben niet zwart, geel of wit, maar een kaaskop met spleetogen. Zolang ik me kan herinneren juich ik voor Oranje, Team Holland. Het is dit WK nog geen enkele keer in me opgekomen het Zuid-Koreaanse voetbalelftal voor de buis aan te moedigen. Eén van mijn hardloopmaatjes, een rasechte Tilburger, is getrouwd met een Surinaamse vrouw. Ze delen hun passie voor koken: hij kookt in de weekenden Surinaamse gerechten, zij doordeweeks Hollandse pot.

Het is een mooi iets dat we leven in een maatschappij met culturele diversiteit. Ik sluit mijn ogen niet voor raciale kwesties, vaak onderhuids, waar we nog steeds mee te kampen hebben. Waren we maar voor even kleurenblind. Zoals de Nederlandse zangheld Thé Lau zo treffend zingt: ‘Iedereen is van de wereld, en de wereld is van iedereen.’ Zo is dat. Wij geadopteerde wezens zijn geen bijzondere kinderen, maar wel wereldkinderen.

Groeten uit Holland

Hallo andere mama,

We kennen elkaar niet. Mijn naam is Anouk Bakker, je dochter. Lief spleetoogje, buitenbeentje, modemeisje, journalist, hardlooptornado. Dat is mijn tijdlijn in een notendop. In die volgorde. Net als jij had ik een fijn en onbezorgd leven gepland, maar onderweg moest ik mijn plannen veranderen. Ondanks mijn gebrek aan navigatie, rijd ik niet zomaar een doodlopende straat in. Ik keer om en rijd terug. Maar daar later meer over. Stoer als ik ben, heb ik mijn gevoelens voor jou 36 jaar geparkeerd. Het raakt me dat ik geen herinneringen aan je heb. Met een baby in je armen voelde je vast wanhoop toen je besefte dat je niet voor me kon zorgen. Je hebt me afgestaan voor adoptie en de naweeën van jouw beslissing heb ik gevoeld. Geen wraakgevoelens, wel verlatingsangst.

IMG_5268Iets anders waar mijn emotie van opvliegt, is onrecht. Als ik terugkijk op mijn jeugd zijn dat discriminatie en pesten. Ik groeide op in een helaas niet kleurenblinde wereld, in een land ver van jou vandaan. Ik was ‘dat Chineesje’ waar iedereen een mening over had. Daardoor wist ik al jong hoe het is als je anders bent en mensen een mening over je hebben. Mijn kinderjaren waren prettig. Ik was gelukkig en had veel vrienden. Daar kwam abrupt een einde aan toen ik de naar de middelbare school ging. Van de ene op de andere dag werd ik gepest. Ik degradeerde van populair naar pispaal. Ik was een tiener die probeerde te overleven. Elke ochtend stond ik op, stapte op mijn fiets en probeerde genoeg kracht te vinden om de arena vol pestkoppen te trotseren. Schrijven hield me op het rechte pad. Het moeilijkste was dat ik geen vrienden had. Als ik een toverstafje had dan wenste ik dat ik me niet meer alleen zou voelen. ‘Snap niet dat mensen zo slecht kunnen zijn. Was ik maar in één zwiep van alle pijn af’, schreef ik in mijn dagboek. Ik was toen 14 jaar.

De ommekeer kwam tijdens mijn studie. Ik kreeg onverwacht een steuntje in de rug van mijn docent journalistiek. In mijn ogen was hij een schrijfhoogheid. Hij zei wat ik sinds mijn strikdiploma niet meer had gehoord: ‘Je hebt talent.’ Toen realiseerde ik me dat ik kon opgeven of omhoog krabbelen. Ik koos voor het laatste. Jij zou me vast een knuffel hebben gegeven, zoals moeders doen. Ondanks mijn helse schooltijd bleef ik altijd positief. Het was belangrijker om elke dag te lachen dan te huilen. De drie magische woorden van mijn docent journalistiek gaven me net dat ene zetje in de juiste richting. Ik was net 20 jaar en stond voor een kruispunt. Ik wist dat er meer was in het leven. Door iemand zijn fout, ga ik niet anders over mezelf denken. Ik wil niet boos blijven op de wereld en verbitterd raken. Ik haat mijn plaaggeesten niet. Jij zou me vast wijze raad hebben gegeven. Iets van: als je het zelf niet doet, doet een ander het ook niet.

IMG_5171Dat ik nooit heb opgegeven is misschien wel het dapperste dat ik ooit heb gedaan. En daarvoor, mam, moet ik je de hand schudden. Bedankt voor de bagage, jouw erfenis aan mij. Doordat jij niet voor mij kon zorgen, heb ik geleerd dat zelf te doen. Ik ben geen einzelgänger meer, maar een gelukkige kaaskop met spleetoogjes. Zonder het label adoptiekind of pispaal. Jouw dochter gaat het ver schoppen. Ik draag mijn eerste Pulitzerprijs aan jou op. Ja, je mag dan best een traantje wegpinken.

Je dochter

Moederdag

Het is Met mama-3Moederdag. Morgen is het precies 36 jaar geleden dat ik als 7 maanden oude baby de overstap maakte van Zuid-Korea naar Nederland. Ik ruilde de rijstkommen in voor de boerenkool. Als ‘allochtoon’ had ik helemaal geen inburgeringscursus nodig. Ik omhelsde het Wilhelmus, de tompoezen, het huisje aan zee, de Appie en Jip en Janneke. Een ‘Chineesje’ van buiten en een kaaskop van binnen. Mensen vroegen, vragen en blijven vragen of ik niet terug wil naar Zuid-Korea en of ik mijn ECHTE moeder niet wil ontmoeten. Het antwoord is nee en nee. Het is zoals het is. Ik heb de allerliefste mama van de wereld. Mijn adoptie was de beste transfer van 1978.